Nieuwsarchief

15-12-12 Ruud Mansveld, door Yoeri van den Busken VI.

Oud interview uit 2007, Ruud Mansveld kwam er al snel achter dat zijn vader geen banketbakker was. Naar de kermis of de bioscoop ging hij uitsluitend met zijn moeder, omdat ze dan tenminste niet aangestaard en aangeklampt werden.

Als hij bij klasgenoten kwam spelen, zag hij vaders op slag veranderen in verlegen pubers, alleen omdat de zoon van een beroemde voetballer zojuist het huis had betreden. Eten in een restaurant was vrijwel onmogelijk. Iedereen kwam een handtekening of foto vragen. Meestal keerde het gezin voor de eerste hap alweer huiswaarts. En niet veel kinderen van zijn leeftijd dobberden in het grote ligbad van ADO of Feyenoord terwijl hun vader buiten aan het trainen was.

Hoe een mens in een mythe kan veranderen, bewees Aad Mansveld door dood te gaan. Hij was te jong, 47 nog maar, en stierf in 1991 aan de gevolgen van longkanker. Mansveld is de beste voetballer die Den Haag voortbracht. Maar hij was ook een man van de straat, de ongekroonde koning van het Laakkwartier. Hij hield van biefstuk met patat, van een stacaravan, van Elvis Presley en van rauwe filmsterren als Kirk Douglas, Clint Eastwood en Charles Bronson. Zijn cultstatus ten spijt ging hij, wars van opsmuk, het liefst op in de massa. Het maakte hem immens populair. Hij werkte als verwarmingsmonteur, autohandelaar en sigarenman. In plat Haags werd hij Aadsjuhâ genoemd. Mansveld was van iedereen.

Als voetballer hield hij er ongecompliceerde principes op na. Niet zeuren maar sleuren. Wie aan zijn zijde liep te lanterfanten, zocht de problemen op. Als iemand in de wedstrijd zijn poot terugtrekt, begin ik te kankeren. Dan komen ze aan mijn centen, was een gevleugelde uitspraak. Zijn beste vriend Didi Vathauer zei ooit: Hij was de conrector van de harde leerschool. Later waren zijn leerlingen hem dankbaar. Zelfs als ik een fout maakte bij het klaverjassen, schold hij me stijf
In een terugblik op het leven van Mansveld maakte Theo van der Burch een treffende karakterschets van zijn voormalige collega in de Haagsche Courant: Dat softe gehang aan shirtjes was er bij hem niet bij.  Hij gaf liever een rotschop, dan wist je waar je aan toe was.  Als hij de bal niet kon krijgen, dan maar een been.

Hard voor zichzelf, meedogenloos in het veld en een pionier op het gebied van verdovende injecties. Maar in de eerste plaats was Adriaan Mansveld een uitstekende voetballer en een natuurlijke leider. Een laatste man die meestal de eerste was wanneer er werd aangevallen. Voor een libero maakte hij een zeldzaam aantal doelpunten: 92.  Hij was zijn tijd ver vooruit. Andere verdedigers zagen meestal alleen zijn rugnummer, vertelde Lex Schoenmaker, vriend en collega. Simon van Vliet, die geruime tijd met Mansveld een defensief duo vormde, zei: Bij wijze van grap gaven Joop Korevaar en ik Aad vast voor de wedstrijd een hand en zeiden dat we hem in de rust wel weer zouden zien.

Hoogtepunt was de thuiswedstrijd tegen West Ham United in de kwartfinale van het Europacuptoernooi voor bekerwinnaars. Ruim vier miljoen televisiekijkers zaten op 3 maart 1976 aan de buis gekluisterd. Een ontketend FC Den Haag stond halverwege met 4-0 voor. Binnen 38 minuten produceerde Mansveld een zuivere hattrick, waarvan twee treffers uit een strafschop.  Waar blijf je nou? Ik heb er al drie in liggen, pochte hij tijdens de wandeling naar de kleedkamer tegen spits Henk van Leeuwen.

Ook dat was Aad Mansveld, aan wie talloze kostelijke anekdotes kleven. Zo gaf trainer Vaclav Jezek hem ooit een boete van 250 gulden omdat hij een wind liet tijdens de wedstrijdbespreking. Die sanctie vroeg om een revanche. Een paar dagen later kampte Jezek met autopech. Hij riep de hulp in van Mansveld, die toezegde maar bewust niet kwam opdagen. Daardoor arriveerde de Tsjech een uur te laat op het trainingsveld. Ten overstaan van de overige spelers merkte Mansveld op dat Jezek nu maar 250 gulden in de boetepot moest stoppen.

Zijn humor kon bijtend zijn voor medespelers en tegenspelers. Hij droeg zijn zoontje, door hem steevast Rudy genoemd, op Ron Goodlass keurig een hand te geven, terwijl de Engelse spits juist een hand miste. De gelovige Joop Korevaar had het evenmin makkelijk.  Dat ging wel eens vrij hard in de kleedkamer. Seks voor het huwelijk mocht niet van de Jehovaâ. Tja, ga dat maar eens aan Aad Mansveld uitleggen, zei oud-doelman Ton Thie veelbetekenend. En Willy van der Kuylen was bepaald geen modale voetballer toen hij met PSV op bezoek kwam in het Zuiderpark. De vedette werd door Mansveld meteen gekleineerd.  Goh, dat jij mee mag doen vandaag.  Zeker veel blessures bij jullie? Van der Kuylen raakte geen bal.  Aad was voor niets en niemand bang en zeker niet voor grote clubs, zei Kees Jansma, destijds journalist en huisvriend.

Legendarisch is ook de trip in 1968 naar Oostenrijk, waar enkele spelers onder aanvoering van Mansveld via de regenpijp het hotel verlieten op zoek naar de geneugten des levens. Die vonden ze in een grote nachtclub. Uitgerekend Mansveld werd uit de zaal geplukt om te figureren tijdens een goochelact. Wat hij niet wist, was dat de show rechtstreeks werd uitgezonden op de televisie. En in het spelershotel zat de Oostenrijkse trainer van de ADO, Ernst Happel, in zijn leunstoel toe te kijken. Zonder wat te zeggen joeg hij de spelers de volgende morgen in alle vroegte de straat op voor een straftraining.

Dick Advocaat noemde Mansveld de verpersoonlijking van het voetbal in de hofstad. Een bundeling van kwaliteit en mentaliteit, van humor en de spreekwoordelijke Haagse bluf. Sinds zijn dood is Mansveld een merknaam. Wat Abe Lenstra werd in Heerenveen, gebeurde ook met de man die 27 dienstjaren verzamelde in het Zuiderpark. Ik sta er elke keer weer versteld van, zegt zijn enige zoon Ruud.
 
Hij werkt al tien jaar bij de club waar hij als peuter zijn dagverblijf vond.  Ik had een internetbedrijf. Veel mensen denken dat ik via mijn vader binnen ben gekomen. Maar ik leverde op dat moment de goedkoopste offerte om een website te bouwen voor de club. Ik heb ook nog eens gezegd: zet mij dan maar op de loonlijst voor vijftien uur per week. Dat scheelde ADO veel geld, terwijl ik over die vijftien uur weer veel belasting moest betalen. Ik sneed mezelf in de vingers, maar daar dacht ik niet aan. Het ging mij om het belang van de club.

Met verholen trots loopt Ruud Mansveld door het nieuwe stadion van ADO Den Haag, dat in de zomer van 2007 werd opgeleverd. Hij wijst de plekken aan waar zijn vader is vereeuwigd. Een tribunedeel draagt zijn naam. De portrettengalerij langs het veld en het zogenoemde Heldenplein, met een standbeeld van Mansveld, spannen de kroon. Onder anderen Theo Timmermans, Mick Clavan, Ton Thie, Theo van der Burch, Martin Jol, Henk van Leeuwen, Heini Otto, Lex Schoenmaker en Aad Kila kregen een ereplaats.  Ton Thie kwam zelfs over uit Kenia om zijn handtekening op de keerwand te zetten.  Ruud Mansveld dacht dat hij meer moeite met de verhuizing zou hebben. Het Forepark is een modern bedrijventerrein langs de A4.

Het Zuiderpark, diep in de stad, rook naar pure nostalgie. Hij lag er in bad, hij zat er op de bank of op de tribune naar zijn vader te kijken. Er hing een plaquette van Aad Mansveld boven de ingang van Midden-Noord, waar de harde kern stond. Maar het realisme overmeesterde hem.  Het is een begrip. En toch heb ik geen heimwee. Als je dit ziet, kun je toch niet terugverlangen naar het Zuiderpark.

De entree in de glazen kubus is indrukwekkend. Op ongeveer tien meter hoogte zweeft de catwalk waarop de spelers, goed zichtbaar voor de bezoekers, zich richting veld begeven. Spanning op de gezichten, modder op de benen; het blijft niet langer verborgen achter de muren van de catacomben.

Er verrijst nog een museum waar de kroonjuwelen van de hoogbejaarde profclub (oprichtingsdatum: 1 februari 1905) zullen worden uitgestald. Vanzelfsprekend gingen er veel stemmen op om het nieuwe stadion te koppelen aan Aad Mansveld.  Ik weet zeker dat mijn vader niet gewild zou hebben dat zijn naam ten koste van alles op die gevel moet belanden, terwijl je er veel geld voor kan krijgen. Daar was hij te veel een Den Haag-man voor. Ik heb ook liever een sponsornaam, zodat de club er beter van wordt. Een standbeeld en een tribune, dat is zat. Maar het probleem is dat iedereen het blijft roepen. Geen sponsor durft nog met een ander idee aan te komen.
Zijn werk op de communicatieafdeling manoeuvreert Mansveld dikwijls in een ongemakkelijke positie. Waar mensen veronderstellen dat hij bij uitstek geschikt is om zijn vader te exploiteren, is hij juiste degene die zich geroepen voelt op de rem te trappen.

Dat klinkt misschien raar, maar het is echt zo. In veel gevallen wil ik er liever buiten blijven. Het gaat om simpele dingen, zoals voorbeschouwingen die wekelijks gepubliceerd worden, of verhalen in het magazine. Gaan ze kijken naar oude wedstrijden en grote uitslagen; is het weer Aad Mansveld die heeft gescoord. Dan zeg ik: joh, zoek eens een andere insteek. Een mooie foto van Mansveld met de beker? Pak Ton Thie met de beker. Ik stimuleer het niet, ik probeer hem niet geforceerd levend te houden. Als mensen hem verheerlijken, moeten ze het zelf weten. Maar hij is altijd een gewoon mens gebleven. Hij sloeg zichzelf nooit op de borst, dus waarom zou ik dat nu doen?
Eigenlijk zou ik moeten denken: wat kan mij het schelen? Ik verzin het toch niet? Maar ik hou het liever af omdat ik bang ben dat mensen denken dat ik mijn vader loop te pushen omdat ik hier toevallig werk. Ik heb er helemaal geen invloed op. Ik adviseer het bestuur toch ook niet dat er een standbeeld moet komen? Want dan zegt het bestuur:  Prima, betaal je het dan ook?

Het was aanvankelijk de bedoeling dat zijn beeltenis op de kuipstoeltjes zou komen. Toen heb ik ook geroepen: doe het nou niet, het wordt te veel. Soms is het meer een last dan een lust als ik weer word opgetrommeld.  Voor mijn vader had dit allemaal niet gehoeven. Zonder zijn dood was er vermoedelijk ook geen mythe. Dan zou hij, zeg maar, de Willem van Hanegem van Den Haag geweest zijn. Populair, maar zonder tribune of standbeeld. Misschien af en toe een boek. Zo zijn de mensen. Je wordt pas geerd als er wat met je gebeurt. Tenzij je een lid van het Koninklijk Huis bent. Ik denk niet dat er tijdens zijn leven al twee straten naar hem waren vernoemd. Dat heeft toch verder niemand? Ja, Cruijff. Maar die staat boven de rest.

Persoonlijk vind ik dat je iemand vooral moet eren terwijl hij nog leeft. Lex Schoenmaker is hier bijvoorbeeld ook werkzaam en daar blijft het bij. Maar als hij volgende week zijn hoofd op het kussen legt staat er ook gauw een standbeeld. Zolang ik de dingen zo blijf bekijken, blijf ik rechtop in mijn schoenen staan. Anders word ik straks iemand die ik niet ben.

Aad Mansveld maakte bij ADO, in 1971 omgedoopt tot FC Den Haag, drie toptrainers mee: Ernst Happel, Vaclav Jezek en Vujadin Boskov. De prestaties waren navenant. In 1968 won ADO de KNVB-beker. Ajax werd met 2-1 verslagen. Mansveld blonk uit, na een week eerder betrokken te zijn geweest bij een opmerkelijk voorval. Ajax kon landskampioen worden en had daarvoor een overwinning nodig. Dat zou tevens betekenen dat ADO al zeker was van deelname aan het Europacuptoernooi voor bekerwinnaars, aangezien Ajax daar dan niet meer voor in aanmerking kwam. Happel hamerde op een nederlaag, eentje die draaglijk was en niet zo opzichtig. Maar het lukte Ajax niet de winnende treffer te maken, waarop Mansveld de bal maar bewust met de hand speelde in zijn eigen strafschopgebied. Aldus bood hij Ajax de titel op een dienblad aan.
In het seizoen 1970-1971 voerde ADO zeventien weken de ranglijst aan. De ploeg van Happel bleef ongeslagen in het Zuiderpark, waar alle tegenstanders samen slechts vijf doelpunten wisten te maken. De krappe selectie en de opgevoerde druk braken ADO ten slotte op, met de derde plaats als gevolg. Toch nog een prestatie van formaat, in de wetenschap dat Feyenoord de Wereldbeker had gewonnen en Ajax de Europacup 1.

Mansveld was verknocht aan zijn stad en aan zijn club, en meer supporter dan werknemer. Daar werd ook dankbaar gebruik van gemaakt. Anderlecht toonde in 1970 belangstelling, maar ADO vroeg doodleuk een miljoen gulden. Later bood PSV zes ton, plus Guus Hiddink. Opnieuw kwam hij niet weg. Pas in zijn nadagen vertrok hij naar Feyenoord en nog even, een blauwe maandag, naar FC Utrecht.

Diep in zijn hart wilde hij helemaal niet weg. Zijn voorstel om een meerjarig contract af te sluiten en dus op den duur te worden opgenomen in de technische staf, schoof het Haagse bestuur echter ongeinteresseerd terzijde. Mansveld wist genoeg en koos voor Feyenoord, waar zijn salaris werd verdubbeld. Op dat moment merkte de toen tienjarige Ruud Mansveld pas echt goed wat zijn vader werkelijk voor de stad en de supporters betekende.  Ik ben nog nooit zo kwaad op hem geweest. In één keer had ik een klotejeugd. Ramen werden ingegooid, maar gelukkig waren die supporters niet zo intelligent en kozen ze het huis van onze buren uit. Op straat vlogen alle ziektes hem om de oren. We hadden bewaking in de tuin. Ik kon niet naar school, was nergens meer welkom. Bij ADO zaten mensen die ik al jaren kende. Ze vroegen me: Kun je niet met je vader meegaan? De impact van zijn vertrek was echt ongelooflijk groot. Er verschenen leuzen op de schoolmuren. Mansveld overloper. Mansveld dood. Dat is de andere kant van het verhaal.

Het toeval wilde dat Feyenoord het daaropvolgende seizoen opende tegen FC Den Haag, in het Zuiderpark nog wel. Mansveld wilde een gebaar maken naar de aanhang van de thuisclub en deed de warming-up in het Haagse shirt. Hij bereikte er het tegenovergestelde mee. Het werkte als een rode lap op een stier. Mansveld werd niet als een verloren zoon onthaald maar als een landverrader. Vanwege een liesblessure had mijn vader die eerste wedstrijd nooit moeten spelen, zegt Ruud Mansveld.  Maar ten koste van alles wilde hij erbij zijn. Hij liet zich weer helemaal platspuiten en was daardoor vijf maanden uitgeschakeld. Rampzalig.

Na 22 wedstrijden in Rotterdamse dienst keerde de verloren zoon terug en werd de strijdbijl net zo snel weer begraven.  Ineens was het: Mansveld is God. En mij noemden ze op school Jezus.
Net de dertig gepasseerd, sijpelden de eerste geluiden over een naderend afscheid door. Het zou nog acht jaar duren.  Hij had een hoge pijngrens. Lees die oude interviews maar eens door. Overal staat dat hij vaak met een injecties speelde. Twee, drie of vier; het deerde hem niet. Misschien heeft-ie wel te veel van die troep in zijn lijf gehad. De Noor Roger Albertsen was ook zo’n speler. Kreeg longkanker op zijn 46e, precies in dezelfde periode, en stierf in 2003. Ik zeg niet dat het zo is, maar soms spookt het wel door mijn hoofd.

Het grote succes van de voetballer Mansveld werd afgewisseld door enorme teleurstellingen. Zijn definitieve afscheid bijvoorbeeld kwam onaangekondigd, en als een ongenode gast. Eerst was hij nog als dertiger de aanvoerder van een jonge ploeg.  Oom Aad en zijn neefjes, zeiden ze in Den Haag. Maar tien wedstrijden voor het einde van de competitie besloot trainer Cor van der Hart ineens dat hij wilde verjongen. De clubiconen Mansveld en Schoenmaker werden bedankt voor bewezen diensten.  Oke, bedankt, dan gaan we weer, reageerde Mansveld ogenschijnlijk koel. Oom Aad was opa geworden. FC Den Haag won geen wedstrijd meer en degradeerde. Boze supporters lieten de Zuidtribune in vlammen opgaan.

Daarnaast is Mansveld een transfer naar Ajax ontnomen. Tot zijn dood nam hij het Jaap van Praag kwalijk. De voorzitter van de Amsterdammers hield hem lang aan het lijntje. Hij wilde Mansveld in 1970 aantrekken als vervanger voor Velibor Vasovic. Maar de Joegoslaaf verlengde op het laatste moment zijn contract met een jaar. Een jaar later gaf Ajax opeens de voorkeur aan de Duitser Horst Blankenburg en had Mansveld, die Anderlecht en PSV in de wachtkamer zette, het nakijken. Toen hij met ADO terugkeerde in De Meer en Van Praag hem geforceerd wilde feliciteren met zijn 250e wedstrijd, weigerde Mansveld dan ook het cadeau, een pentekening, in ontvangst te nemen.
Ook zijn interlandloopbaan eindigde in mineur. Mansveld kwam slechts zes keer uit voor het Nederlands elftal, tussen augustus 1972 en november 1973. Hij zou meegaan naar het wereldkampioenschap in Duitsland, als vervanger voor de geblesseerd geraakte Rinus Israel, maar scheurde in maart 1974 zelf zijn enkelbanden.  Dat is zijn grootste deceptie geweest, zegt zijn zoon Ruud.  We gingen nooit naar het buitenland, altijd naar de camping. Daar voelde hij zich het prettigst. Maar Barend en Van Dorp en dat soort types hingen continu rond in de tuin. Belde de campingbaas op.  Het ligt hier vol. Mijn vader was het helemaal zat. En toen zijn we echt gevlucht.
Na zijn actieve loopbaan tilde Mansveld samen met Lex Schoenmaker en Rob Baan een jeugdplan van de grond. Medio jaren tachtig werd hij assistent in het Zuiderpark. Maar het boegbeeld zou eindigen waar het ooit begon: in het Laakkwartier. In augustus 1990, terwijl hij de keepers van de amateurclub onder handen nam, voelde hij steken in zijn borst. Mansveld negeerde de pijn en ging nog op stap. Maar een bezoek aan het ziekenhuis was onvermijdelijk; de artsen onverbiddelijk. Achter zijn longen groeide een kwaadaardig gezwel. Liftend langs de lijdensweg gaf hij zijn laatste interview. In De Telegraaf zei hij: Zeven maanden lang om de veertien dagen een chemokuur, waar je doodziek van wordt.

Ik wil het niet afzwakken, de realiteit is dat zo’n chemokuur een verschrikking is. Maar als je je erop instelt, kun je daar op een gegeven moment toch mee omgaan. Die instelling had ik ook in de sport. Als voetballer kon ik al veel hebben, had ik een hoge pijngrens. Speelde liever met injecties, dan op te geven.

Tegen de mensen van Laakkwartier zei hij dat ze op hem konden rekenen. Na de eerste kuur leek genezing zich ook inderdaad aan te dienen. Bij een controle bleek de tumor echter te zijn teruggekeerd. Mansveld had zeven maanden voor niets geknokt.  Natuurlijk kende ik mijn zwakke momenten. Toen ik na de tweede chemokuur ineens kaal begon te worden, heb ik het even moeilijk gehad. Werd ik s ochtends wakker, en lag mijn hele kussen onder het haar. Ik weet niet hoe ik het onder woorden moet brengen, maar het is net of je iets van je trots verliest. Het klinkt misschien een beetje kinderachtig, maar ik heb thuis in de hal een grote spiegel en daar liep ik steeds gebukt onderdoor.

Op 5 december 1991 ging het leven op in de legende. Dertien jaar eerder, op exact dezelfde dag, bezweek de moeder van Aad Mansveld aan dezelfde kwaal. Lex Schoenmaker bezocht zijn goede vriend nog geregeld.  Over doodgaan hebben we het nooit gehad, maar hij was er wel bang voor. Heel bang. Dat voelde ik aan alles. Hij kon geen afscheid nemen van het leven. Een jaar later schreef Ruud het verdriet van zich af in Voetbal op topniveau, helemaal gewijd aan Aad Mansveld. Daar heb ik nu wel spijt van. Veel mensen zaten me enorm te pushen. Iemand wilde een biografie schrijven. Er kwamen ook verhalen in de wereld die ik helemaal niet naar buiten wilde brengen. Vandaar dat ik het beter zelf kon doen. Maar als ik het nu teruglees, vind ik het waardeloos. Een tweede druk heb ik ook tegengehouden. Een man van zijn kaliber verdient een mooi boek.
In die periode was ik goed de weg kwijt, zat echt in de shit. Financieel, verkeerde vrienden, alles eigenlijk. Ik werkte nauwelijks, was twee dagen per week bedrijfsleider in een nachtclub. Ik voelde me een soort animeermeisje omdat ik de zoon van was. In zijn laatste levensfase ben ik bij mijn vader gaan wonen om hem te verzorgen. Je tilt je vader naar de wc. Door die chemo in zijn hoofd beleef je angstige momenten. Hij raakte al in paniek als ik zelf even naar het toilet moest. Ging hij mijn moeder bellen om te zeggen dat ik van huis was weggelopen. Achteraf is dat, voor een jongen van 21, niet goed geweest. Maar als ik het morgen weer moet doen, aarzel ik geen moment.
Na zijn dood ben ik eerst een tijdje in dat huis blijven wonen. Pas toen ik vertrok, ging ik een andere koers varen.

Door die nachtclub krijg je veel rare mensen op je af en dan kan een mens erg afglijden. Het was de gevaarlijkste tent in Den Haag. Ik zat op een gegeven moment  s avonds thuis en dacht: ik moet weg! Mijn kennissenkring bestond alleen nog maar uit pooiers, hoeren en moordenaars. Tegen de eigenaar heb ik eerlijk gezegd: hier heb je de sleutels, en nooit meer bellen. Vanaf dat moment is het steeds beter met me gegaan. Nu realiseer ik me ook wel dat het boekje me wel onwijs heeft geholpen. Veel dingen heb ik van me af kunnen schrijven. Soms stonden er na een dag maar drie zinnen op papier, puur omdat er zo veel emotionele herinneringen naar boven kwamen en ik gewoon niet verder kon.  Opgedragen aan mijn moeder, zuster en allen die hebben gehouden van de mens en de voetballer Aad Mansveld.

Het was zijn eerste zin. Maar Ruud Mansveld houdt de voetballer en de vader meestal strikt gescheiden.  Ik kan heel goed over de voetballer Aad Mansveld praten. Wordt het persoonlijk, dan kap ik het meestal af. Dat lukt me niet, is te moeilijk. En in mijn geval is het maar beter ook, anders zou ik hier niet kunnen werken. Dan word je helemaal gek.

Toen het bergafwaarts ging met zijn vader, ondervond Ruud Mansveld op de ergste manier hoe het is om als bekende Nederlander geleefd te worden. De meedogenloosheid van de ziekte won het van de snelheid van het nieuws. En die confrontatie was heftig.  Eerst was hij genezen verklaard. Alles leek goed te gaan, totdat mijn vader belde en maar drie woorden sprak: Kun je komen? Thuis barstte hij in huilen uit. Even dacht ik dat zijn vriendin was doodgereden. Maar ik kreeg te horen dat er niks meer aan te doen was. De kanker zat overal. Valt s avonds de krant op de mat waarin staat dat Aad Mansveld genezen is. Iedereen feliciteerde me, er werden zelfs telegrammen gestuurd. Zoiets gun ik niemand.

Op het Haagse Blufplein in het centrum werd officieus een straat naar Aad Mansveld vernoemd. In augustus 2007 kwam er ook officieel een straat in de villawijk Blommendael bij. Maar dat ging niet zonder slag of stoot. De parkachtige sfeer aan de rand van de duinen was te deftig, Mansveld te volks.  Die huisjes schijnen een miljoen te kosten. Een aantal bewoners tekende protest aan. Er bestond immers al een Aad Mansveldstraat, daar gooiden ze het op. Het kwam er in het kort op neer dat de naam Mansveld niet aan zo’n dure straat gegeven mocht worden. Ze hadden liever iemand van het Koninklijk Huis. De gemeente was niet te vermurwen. Er is me nog gevraagd de straatnaam te onthullen, maar die uitnodiging heb ik afgeslagen. Door al die ophef kreeg ik de indruk dat het om een NSB’er ging. Als je in Rotterdam in de Coen Moulijnstraat mag wonen, staan ze in de rij. Maar deze wijk trekt kennelijk een ander volk, mensen die niet eens uit Den Haag komen. Op zich voel ik me vereerd, maar ik denk wel: doe het dan in een volksbuurt. Daar had mijn vader meer aan gehad.
 
De naam is inmiddels beschermd. Alle rechten liggen verankerd bij de familie Mansveld.  Mensen kunnen niet meer zomaar wat ondernemen. Wij moeten goed afwegen waar we wel en niet aan meewerken. De eerste keer dat een tribune naar mijn vader werd vernoemd, in 1993, betrof het een initiatief van de supporters. Daar stond ik volledig achter. Was het toenmalige bestuur ermee gekomen, dan hadden we gezegd: nee. Omdat er nog steeds wat oud zeer zat. Mijn vader heeft in negentien seizoenen bijna zevenhonderd wedstrijden in de eredivisie gespeeld, waarvan zeshonderd voor Den Haag. Toch werd hij bij zijn afscheid afgescheept met drie vulpennen. Dat heeft hem altijd dwarsgezeten. Toen hij erg ziek was, trachtte de club het nog een beetje goed te maken. Kregen we opeens een reis naar Amerika aangeboden. Maar de artsen gaven hem geen toestemming.
Na de tribune en de plaquette stroomden de verzoeken binnen. Aad Mansveld werd gecultiveerd. Een hotel adverteerde met een nacht in de Aad Mansveldkamer.  Hij had daar toch niet als een soort John Lennon een week gelegen? Ik heb meteen opgebeld en gevraagd: jullie hebben toch ook een hotel in Amerika? Geef de familie dan maar een vakantie van twee weken. Toen hebben ze het weer teruggedraaid. Het is de Ties Kruizekamer geworden, of zoiets.

De naam moet beschermd worden, zo simpel is dat. Want elke keer als je denkt dat het wel zal ophouden, komt er weer iets nieuws. Dan hoor je via via dat er petjes gemaakt worden. Dat is niet de bedoeling. Ze mogen van mij petjes verkopen, als ze de opbrengst maar aan een goed doel schenken. Wat dat betreft sta je voortdurend in een tweestrijd. Dingen die mensen echt menen, zoals een standbeeld, geeft ons alleen maar een goed gevoel. Op lieden die vaantjes laten maken om hun zakken te vullen zitten we niet te wachten.

Den Haag is heel groot en tegelijkertijd ook weer heel klein. Er zijn altijd mensen die je tippen en dan gaan we er gelijk achteraan. Al direct na zijn dood kregen we de eerste verzoeken. Sommige dingen vond ik bizar, op het walgelijke af zelfs. In verband met die tribune moest voor de FIFA en de KNVB de naam worden vrijgegeven. Door diverse bestuurswisselingen was het toentertijd bij Den Haag een zootje. Een bestuurslid vroeg me of ik nog even wat papieren kon ondertekenen. De eerste keer was er iets niet goed gegaan. Kwam ik daar, stonden cameraploegen en fotografen me al op te wachten. Was die hele actie bedacht om zijn bedrijfslogo goed in beeld te krijgen. Ik zei: zoek die oude documenten maar op, want ik teken geen tweede keer. Daar leen ik me niet voor. Er zijn ook mensen die voor wedstrijden van oud-ADO vragen of ik zijn plaats wil innemen. Als zoon wil ik best wat vertellen over Aad Mansveld, maar ik ga niet als een kopie rondlopen.

Zelfs niet voor een goed doel. Mijn hele leven ben ik al de zoon van. Maar ik heb ook een eigen identiteit. Daar heb ik wel eens moeite mee, dat mensen tegen je opkijken, alleen vanwege een legendarische vader. Wat heb ik dan gepresteerd? Niks. Maar door die beroemde achternaam zijn ze helemaal in de wolken als ze met je praten. Die confrontaties probeer ik te vermijden, ik heb daar helemaal niks mee. Op verjaardagen van mijn vader kwam Kees Jansma langs, en Willem Ruis. Anderen vinden dat heel interessant. Voor mij was het van jongs af aan de normaalste zaak van de wereld. En mijn ouders zorgden er met de opvoeding voor dat ik geen kapsones kreeg. Mijn moeder en mijn zus gaan er nu ook nog steeds heel rustig mee om. Het zit niet in ons karakter om naast je schoenen te gaan lopen. Van beide kanten komt de familie gewoon uit de Schilderswijk. Ik verbeeld me niks.

Ik vind het nog steeds onvoorstelbaar dat die mythe is ontstaan. Mijn vader voetbalde lang voor dezelfde club, daar zal het misschien mee te maken hebben. Deze club heeft niet zo veel gewonnen. Hij is onlosmakelijk verbonden aan de goede jaren. En van de mensen begreep ik dat hij altijd een gewone jongen is gebleven. Je ziet nu spelers die niet eens in een supportershome komen als ze twee keer een doelpunt hebben gemaakt. Mijn vader ging met een fruitmand op bezoek bij supporters die in het ziekenhuis lagen. Zo zat hij in elkaar.

De liefde voor ADO later FC Den Haag en ADO Den Haag  droeg Aad Mansveld over. Hij nam zijn zoon altijd mee. Ruud Mansveld kende het Zuiderpark beter dan het klaslokaal.  Ik lag in de kinderwagen die op de tribune stond. Ik werd lid toen ik vijf was. Je mocht op die leeftijd nog niet in clubverband voetballen, dus oefende ik alleen maar. Met de zoontjes van Lex Schoenmaker en Joop Korevaar lag ik in het grote bad terwijl de selectie buiten trainde. Heel ongebruikelijk allemaal, maar ik wist niet beter. Ik heb Ad van Emmenes, de eminente sportjournalist, nog gekend. Hij zat altijd naast me op de tribune. Dat kunnen mensen zich niet voorstellen, want die tijd lijkt een eeuwigheid geleden. Ik heb een geheugen van een olifant, ken alle spelers. Ik kwam Hans van Breukelen een keer tegen. Jij was er altijd bij, zei hij tegen me. Terwijl mijn vader maar een half jaar bij FC Utrecht heeft gespeeld.

Altijd maar die club. Altijd Ik maak uren die ik niet eens declareer. Voor een ander is het misschien gewoon een baan. Ik zie het niet puur als werk. Soms is dat ook een gevaar voor jezelf. Je doet te veel. Maar ik vind niet, en dat meen ik oprecht, dat je bij deze club moet werken. Je mag hier werken. Ik heb niet voor niets mijn bedrijf van de hand gedaan. Had puur met clubliefde te maken. Als je loopt te klootzakken, werk je hier ook niet tien jaar.

Ruud Mansveld kijkt omhoog, naar zijn vader die bijna drie meter hoog op een sokkel voortleeft. Hij zat in de Heldenpleincommissie. Bij de vervolmaking van het beeld is hij nauw betrokken geweest. Hij vond dat de benen wat voller moesten, en de vingers iets meer gebogen. Hij nam de klassieke schoenen van Quick, met de dikke rand ter bescherming van de enkels, mee naar de kunstenaar. Elk detail sloeg hij op. Het moest perfect zijn. Nu klopt het hart van goud in een beeld van brons.
Dit is gewoon mijn vader. De eerste week was het slecht weer. Ik had geen lekker gevoel. Stond-ie daar in de regen. Het is maar een bronzen beeld , maar toch Ik had niet verwacht dat het me zo zou aangrijpen. Toen hij werd gebracht, zat er een touw om zijn nek. Alsof hij in een strop hing. Ik barstte in huilen uit. Heel raar.

Deze pose symboliseert zijn leiderschap, onverzettelijkheid, Haagse bluf. Daarom denk ik soms: wat zitten al die mensen toch te zeiken over de stadionnaam. Dit is al waanzinnig mooi. Bij de onthulling van het standbeeld werd You ll never walk alone gedraaid, van Elvis Presley. Tot het genoegen van de nabestaanden waken ook de supporters met zorg over hun Haagse held.  Een paard van de politie liet hier een drol achter. Meteen een stapel klachten naar de gemeente. Hoe is het in Godsnaam mogelijk dat je een paard laat schijten op het Heldenplein?

Ruud Mansveld vierde pas was weer sinterklaasavond toen hij zelf een kind had. Zijn zoontje is vernoemd naar zijn beide grootvaders. Jim Martin Aad Mansveld begint nu ook langzaam te beseffen dat hij niet in een doorsnee familie terecht is gekomen. Hij gaf het symbolische startschot voor de bouw van het nieuwe stadion.  Schoot dat ventje helemaal vol. Hij heeft zijn opa nooit gekend, maar kinderen op school beginnen er nu steeds vaker over. De verhalen worden dus doorverteld. Van vader op zoon.

Ruud Mansveld mist de Haagse held nog dagelijks. Soms heeft hij het er moeilijk mee om een wildvreemde vader met zijn zoon te zien.  Dan ben ik jaloers. Als werknemer van ADO Den Haag ontkomt hij niet aan de confrontatie met het verleden. Maar dat is slechts de legende. Dat andere gevoel zit veel dieper.

De voetballer is voor de supporters. De vader is voor mezelf. En ik eer hem puur als mijn vader. Die is voor mij meer waard dan de voetballer. Voor mijn part was hij banketbakker geworden.
Het boek De Tragedies is geschreven door Yoeri van den Busken.